Objecten koppelen

Objecten koppelen


Objecten koppelen werkt met twee lagen en voegt attributen van één object toe aan een ander op basis van ruimtelijke en attribuutrelaties. De tool bepaalt alle invoerobjecten die voldoen aan de gespecificeerde koppelingsvoorwaarden en voegt de eerste laag toe aan de doellaag.

Objecten samenvoegen kan worden toegepast op punten, lijnen, vlakken en tabellen. Voor een ruimtelijke koppeling moet uw data een geometrie hebben.

Als Huidige kaartextent gebruiken is geselecteerd, worden alleen de objecten geanalyseerd die zichtbaar zijn in de huidige kaartextent. Als deze optie niet is geselecteerd, worden alle objecten in de doellaag en de koppelingslaag geanalyseerd, ook als ze zich buiten de huidige kaartextent bevinden.

Doellaag kiezen


De doellaag is de laag waarvan de attributen van de koppelingslaag aan de tabel ervan zullen worden toegevoegd.

Naast het kiezen van een laag uit uw kaart, kunt u Analyselaag Levende Atlas kiezen of Analyselaag kiezen selecteren onderaan de vervolgkeuzelijst. Er wordt een galerij geopend met een verzameling lagen die handig zijn voor veel analyses.

Kies laag om samen te voegen met de doellaag


De koppelingslaag met de attributen die zullen worden toegevoegd aan de doellaag.

Naast het kiezen van een laag uit uw kaart, kunt u Analyselaag Levende Atlas kiezen of Analyselaag kiezen selecteren onderaan de vervolgkeuzelijst. Er wordt een galerij geopend met een verzameling lagen die handig zijn voor veel analyses.

Selecteer de type(s) van de koppeling


U kunt een ruimtelijke koppeling, een attribuutkoppeling of een combinatie van de twee uitvoeren.

  • Ruimtelijk—Gebruikt een gespecificeerde ruimtelijke relatie om objecten te koppelen. Dit vereist dat beide lagen een geometrie hebben.
  • Attribuut—Voegt objecten samen op basis van gelijke velden.

Een ruimtelijke relatie kiezen


De ruimtelijke relatie die bepaalt of objecten worden gekoppeld. De beschikbare relaties zijn afhankelijk van het type geometrie (punt, lijn, gebieden) die worden gebruikt als de invoerobjecten. De beschikbare relaties omvatten het volgende:

  • Identiek aan—De objecten in de doellaag zullen gematched worden als ze identiek zijn aan de objecten in de koppelingslaag.
  • Kruist—De objecten in de doellaag zullen gematched worden als ze objecten in de koppelingslaag kruisen.
  • Bevat volledig—De objecten zullen gematched worden als de objecten in de doellaag objecten in de koppelingslaag volledig bevatten.
  • Volledig binnen—De objecten zullen gematched worden als de objecten in de doellaag volledig binnen objecten van de koppelingslaag liggen.
  • Binnen een afstand van—De objecten in de doellaag zullen gematched worden als ze binnen een bepaalde afstand van objecten in de koppelingslaag liggen.

Attribuut koppelen


De attribuutrelatie die bepaalt of objecten worden gekoppeld. Objecten stemmen overeen als de veldwaarden in de koppelingslaag gelijk zijn aan veldwaarden in de doellaag.

Stel bijvoorbeeld dat we een provinciebrede geografische laag hebben met woonadressen (met inbegrip van een veld POSTCODE) en tabulaire dataset voor de gezondheidsdemografie op postcode (een veld met de naam GEZONDHPOSTCODE). We kunnen de gezondheidsdataset dan koppelen aan de residentiële gegevens door het veld POSTCODE te koppelen aan GEZONDHPOSTCODE, wat zal resulteren in een laag van woningen met de bijbehorende gezondheidsgegevens.

Kies koppelingbewerking


Bepaalt hoe koppelingen tussen de doel- en koppelingslaag behandeld zullen worden als meerdere objecten in de koppelingslaag dezelfde relatie t.o.v. de doellaag blijken te hebben. De volgende zijn de twee koppelbewerkingen om uit te kiezen:

  • Eén-aan-één koppelen—Deze optie voegt het eerste overeenkomende object in de koppelingslaag toe aan het eerste overeenkomende object in de doellaag. Optioneel, als statistieken worden toegevoegd, worden overeenkomende gekoppelde objecten samengevat voor elk object in de doellaag. Het aantal verbonden objecten wordt standaard toegevoegd.
  • Eén-aan-veel koppelen—Deze optie voegt alle overeenkomende objecten in de koppelingslaag toe aan de doellaag. De resultaatlaag bevat dan meerdere records van het doelobject.

Stel bijvoorbeeld dat u supermarkten wilt zoeken binnen 5 kilometer van een boerenmarkt. In dit geval heeft de laag om aan te koppelen een enkel object, namelijk de boerenmarkt, en de koppelende objecten zijn plaatselijke supermarkten met attributen, zoals de totale jaarlijkse omzet. Met behulp van de tool Objecten koppelen vindt u vijf supermarkten die aan de criteria voldoen. Als u een koppelingsbewerking kiest voor Eén-aan-veel koppelen krijgen we vijf objecten in ons resultaat, elke rij vertegenwoordigt de boerenmarkt en een supermarkt. Als u een relatie Eén-aan-één kiest en een statistiek selecteert, krijgt u één object dat de boerenmarkt vertegenwoordigt en de samengevatte informatie van de supermarkten, zoals het aantal (5), en andere statistieken, zoals de som van de jaarlijkse verkoop.

Statistieken toevoegen (optioneel)


Indien de optie Eén-aan-één koppelen is geselecteerd, kunt u statistieken van gekoppelde objecten samenvatten en berekenen. De telling van overeenkomende gekoppelde objecten zal standaard berekend worden en toegevoegd worden aan de resultaatlaag. Als u ervoor kiest om geen extra statistieken toe te voegen, dan wordt het eerste overeenkomende object in de koppelingslaag gekopppeld aan het eerste overeenkomende object in de doellaag. U kunt ook een of meer van het volgende berekenen:

  • Som
  • Minimum
  • Maximum
  • Gemiddelde
  • Standaarddeviatie

Resultaat laagnaam


Dit is de naam van de laag die in Mijn Content wordt gemaakt en aan de kaart wordt toegevoegd. De standaardnaam is gebaseerd op de toolnaam en de naam van de invoerlaag. Als de laag al bestaat, wordt u gevraagd een nieuwe naam te geven.

Als u in de vervolgkeuzelijst Resultaat opslaan gebruikt, kunt u de naam opgeven van een map in Mijn Content waarin het resultaat wordt opgeslagen.